Afrika wordt vaak het "continent
van het vuur" genoemd. Naar schatting de helft
van de 750 miljoen hectare die jaarlijks wereldwijd
in vlammen opgaan, bevindt zich in Afrika. OP globaal
niveau zijn de zwaarst getroffen regio's Oost-Afrika,
Centraal Afrika en Zuidelijk Afrika.
Hoewel de bosbranden gedurende
het hele jaar kunnen voorkomen in Afrika, komt meer
dan 90% voor in het droge seizoen. Doordat de vegetatie
dood of in rust is, en de bomen hun blad verliezen,
belandt er veel brandbaar materiaal op de grond.
Deze branden kunnen per toeval
ontstaan, maar vaak worden ze opzettelijk aangestoken
door de lokale bevolking. Vuur wordt immers traditioneel
gebruikt als landbeheerswijze. In landbouwgebieden
wordt het gebruikt om verdroogde resten te ruimen.
Op weidegronden is vuur de voornaamste factor in de
vertering van plantaardig materiaal, waardoor nitraten
terug in de bodem kunnen dringen en de productiviteit
van de gronden bewaard blijft. Vuur wordt ook gebruikt
om kuddes te sturen of om ongeplande branden te vermijden.
Ook aangestoken vuren zijn
echter niet altijd gecontroleerd. Ze kunnen zich snel
verspreiden en enorme gebieden innemen. De weelderige
aanwezigheid van droge vegetatie, de lage bevolkingsdichtheid
en de afwezigheid van zones die kunnen fungeren als
vuurvertrager, zijn allemaal zaken die verklaren waarom
vuren zich zo verspreiden.
Branden kunnen dus grote
schade tot zelfs sterfgevallen in de hand werken.
Ze hebben ook een zware impact op klimaatverandering,
aangezien ze verantwoordelijk zijn voor een aanzienlijke
uitstoot van broeikasgassen en aërosolen. Savanne-
en bosbranden brengen bijna 3,5 miljard ton C02 en
17,5 miljoen ton aërosolen in de atmosfeer, wat
neerkomt om respectievelijk 42% en 49% van de totale
globale emissies.
Deze verschillende redenen
verklaren de groeiende interesse voor de studie van
vegetatiebranden. Tegenwoordig komt teledetectie naar
voren als een waardvolle tool voor het opvolgen van
branden en de objectieve evaluatie van uitstoot in
de atmosfeer.
Geoland2
project