Teledetectie
Dataverwerving
  Het elektromagnetisch spectrum
  Digitale beelden
  De sensoren
  Orbitografie
  Teledetectie beelden
  Bijkomende gegevens
Beeldverwerking
Radar
GIS
 
Orbitografie
 
Om satellietwaarnemingen mogelijk te maken moet het waarnemingsplatform op een baan om de aarde worden geplaatst. De baan van de satelliet hangt af van wat en hoe men wenst te observeren.

Bij de lancering moet de satelliet voldoende snelheid krijgen om de juiste baan rond de aarde te bereiken en te behouden. Als zijn snelheid afneemt, gaat hij in een spiraalvormige baan draaien, steeds dichter naar de aarde toe, tot hij uiteindelijk op aarde terugvalt. Als de snelheid te hoog ligt, gebeurt het omgekeerde: de satelliet verwijdert zich in een spiraal steeds verder van de aarde. Uiteindelijk ontsnapt hij aan de aantrekkingskracht van de aarde. Deze laatste techniek past men toe bij de lancering van ruimtesondes om andere planeten of de zon te bestuderen.

De inclinatie of orbitale hoek is de hoek tussen het baanvlak en het evenaarsvlak. Deze hoek bepaalt welk gebied op aarde door de sensor aan boord van de satelliet zal worden waargenomen. Een satelliet met een inclinatie van 50° dekt enkel een observatiegebied tussen 50°NB en 50°ZB. Wenst men dus de ganse aarde met een satelliet te bestrijken dan moet de inclinatie 90° bedragen.

Naargelang de baan om de aarde spreekt men van een geostationaire, een polaire, een directe of een achterwaartse satelliet.
Een geostationaire satelliet is een satelliet die zich steeds boven dezelfde plaats op aarde bevindt. Om dit te bereiken moet de satelliet in een cirkelvormige baan rond de aarde draaien met dezelfde omloopsnelheid als de aardrotatie. Dit gebeurt in het vlak van de evenaar op een afstand van ongeveer 35890 km van de aarde. De omwentelingstijd van deze satellieten is dezelfde als die van de aarde. Telecommunicatiesatellieten zijn meestal geostationair.
Een geostationaire satelliet cirkelt op een hoogte van 36.000 km.
Omdat hij dezelfde omloopsnelheid heeft dan de aarde, bevindt hij zich altijd boven eenzelfde punt op aarde en brengt bijna continu een bepaald deel van de aarde in beeld.
Andere satellieten hangen niet boven een vast punt op aarde. Het vlak van hun baan maakt een hoek met het evenaarsvlak. Ze kunnen zich verplaatsen in een polaire (over de polen), directe (inclinatie tussen 0 en 90°, waardoor ze zich oostwaarts verplaatsen) of achterwaartse (inclinatie tussen 90° en 180°, westwaartse verplaatsing) baan.
De satelliet SPOT is een voorbeeld van een polaire satelliet. Eén omwenteling van SPOT duurt 101 minuten, dus 101 minuten later kruist hij opnieuw dezelfde breedte. Ondertussen is de aarde echter verder naar het oosten doorgedraaid. Het duurt dus enkele dagen voordat hij opnieuw over dezelfde plaats vliegt. Bij SPOT is dit 370 omwentelingen x 101 minuten = 26 dagen. Bovendien vliegen dergelijke satellieten telkens op ongeveer hetzelfde uur boven een zelfde gebied: SPOT vliegt steeds rond 11.00 uur over België. Op deze manier kan men seizoensgebonden variaties op regelmatige intervallen opvolgen.
Een polaire satelliet cirkelt op een hoogte tussen 450 en 1000 km boven de aarde en volgt een baan over de polen. Gezien de aarde van west naar oost onder de satelliet door draait, heeft een polaire satelliet na een bepaald aantal omwentelingen de hele aarde in beeld gebracht.

Een heliosynchrone satelliet is een satelliet waarvan het baanvlak en de lijn aarde-zon steeds een constante hoek vormen. Hiervoor moet men de baan van de satelliet elke dag ongeveer 1° (= 360°/365,25 ) naar het oosten opschuiven. Op deze wijze bevindt de satelliet zich na een jaar opnieuw boven hetzelfde punt. Zo compenseert men het effect van de omwenteling van de aarde rond de zon.